De atmosfeer is voortdurend in beweging. Op het eerste gezicht lijkt dat bewegingspatroon een totale chaos, maar toch blijkt het te voldoen aan bepaalde regels. Beweging in de atmosfeer is
namelijk nauw verbonden met temperatuurverschillen en daarover is heel wat bekend.
Om te beginnen is de temperatuur op aarde sterk afhankelijk van de warmte die de zon levert. De zon geldt als belangrijkste warmtebron voor de aarde en haar atmosfeer, maar verwarmt de
aarde niet gelijkmatig. Bij de polen is het het hele jaar door beduidend kouder dan bij de evenaar. Op veel plaatsen op aarde verandert de gemiddelde temperatuur bovendien van maand op
maand, wat leidt tot de verschillende seizoenen. De genoemde temperatuur-verschillen en temperatuur-veranderingen zijn een gevolg van verschillen in hoeveelheid invallende zonnestraling
die kan worden benut. Een tweede oorzaak van temperatuur-verschillen op aarde is de verdeling van land en water. Water heeft een grotere warmtecapaciteit dan land zodat het minder snel
opwarmt (bij een gelijke hoeveelheid binnenkomende zonne-energie) en minder snel afkoelt.
Figuur: De atmosfeer is voortdurend in beweging, zoals onder andere satellietbeelden dagelijks tonen. Vooral op het laatste beeld (8 september 2003) is de tropische
cycloon Isabel goed zichtbaar. Isabel is onderweg naar de Verenigde Staten
Naast de zon speelt ook de aarde zelf een belangrijke rol in de totale warmtehuishouding van aarde en atmosfeer; ze verliest door uitstraling warmte, wat vooral aan het eind van een
heldere nacht goed te merken is. De temperatuurverschillen tussen verschillende gebieden op aarde brengen een transport van lucht op gang dat die temperatuurverschillen ook weer vereffent.
We noemen het geheel van luchtstromingen waaruit dit transportsysteem is opgebouwd, de 'algemene circulatie'.
Warme evenaar, koude polen

Figuur: Waar het aardoppervlak loodrecht staat op de invallende zonnestraling, - dat is in de buurt van de evenaar, - komt per vierkante meter veel meer
zonne-energie binnen dan op plaatsen waar het zonlicht langs het aardoppervlak scheert, zoals in de poolstreken.
De bolvorm van de aarde bepaalt mede de hoeveelheid zonnestraling die op een deel van het aardoppervlak valt. Waar het aardoppervlak loodrecht staat op de invallende zonnestraling,
- dat is in de buurt van de evenaar, - komt per vierkante meter veel meer zonne-energie binnen dan op plaatsen waar het zonlicht langs het aardoppervlak scheert, zoals in de poolstreken.We
kunnen dat begrijpen door uit te gaan van de situatie waarbij de zon loodrecht boven de evenaar staat. Het zonlicht valt dan loodrecht in.Een bundel zonnestraling met een doorsnede van
1 m2 komt ten goede aan 1 m2 aardoppervlak; de instraling is in dat geval op de evenaar maximaal.Op een andere geografische breedte verwarmt een bundel zonnestralen met dezelfde doorsnede
een deel van het aardoppervlak dat veel groter is; per vierkante meter komt er daardoor minder zonnewarmte binnen. Naarmate de breedte toeneemt, wordt het te verwarmen aardoppervlak groter.
Aan de polen komt binnen. Naarmate de breedte toeneemt, wordt het te verwarmen aardoppervlak groter. Aan de polen komt zelfs helemaal geen zonnewarmte binnen. Naast de warmtewinst door
instraling van de zon speelt het warmteverlies door de uitstraling van het aardoppervlak en de atmosfeer een rol bij het uiteindelijk temperatuurverschil dat zich instelt tussen pool en
evenaar.
Als de zon niet schijnt, - n's nachts dus, maar aan de polen ook 'overdag', - treedt er door die zogeheten achtelijke uitstraling afkoeling op. Als de zon niet schijnt, - 's nachts dus,
maar aan de polen ook 'overdag', - treedt er door die zogeheten nachtelijke uitstraling afkoeling op. De verschillen tussen evenaar en pool in de aardse straling, zoals de uitstraling vaak
genoemd wordt, zijn minder groot dan de verschillen in invallende zonnestraling.
Dat komt doordat de aardse straling evenredig is met de vierde macht van de absolute temperatuur, waarvan de waarde in K (Kelvin; de temperatuur in Kelvin = temperatuur in graden C +273,1)
bij een temperatuurverschil van 30 graden C slechts ongeveer 10% varieert.
In de gebieden die zich ruwweg ten noorden van 60 graden NB en ten zuiden van 60 graden ZB bevinden, is de dagelijkse uitstraling groter dan de instraling, zodat in de poolstreken de
aarde en de lucht erboven voortdurend verder afkoelen. In het gebied van de tropen is er een stralingsoverschot en dus opwarming.
Figuur: Verschil tussen binnenkomende zonne-straling en uitgezonden warmte-straling.Oranje, rood en vooral paars duiden op het binnenkomen van meer warmte dan er weggaat; bij
groen en blauw komt er minder warmte binnen dan er wordt uitgezonden.
![]() Binnenkomende zonnestraling gemiddeld per maand ![]() Verschil tussen binnenkomende en uitgaande straling gemiddeld per maand |
![]() Uitgaande langgolvige straling, gemiddeld per maand ![]() Gemiddelde temperatuur per maand |
Stroming in vloeistof door verwarming
Het is alsof er een kracht naar rechts aan het werk is; deze zogeheten 'schijnkracht' staat bekend als Corioliskracht of afbuigende kracht van de aardrotatie.
Een dergelijke eencellige circulatie wordt Hadley-circulatie genoemd. Hadley was de eerste die een 'model' maakte van de luchtstromingen in de atmosfeer, rekening houdend met
temperatuurverschillen tussen evenaar en pool en de draaiing van de aarde. In de praktijk gaat het Hadley-circulatiemodel niet op voor het noordelijk halfrond als geheel. Nederland en
andere locaties op gematigde breedten bevinden zich namelijk in een 'gordel van westenwinden' (zie figuur onder). In de overige gebieden op aarde is de overeenkomst tussen model en
werkelijkheid aanzienlijk beter. Met name voor wat betreft de passaatwinden (tussen de subtropen en de evenaar) voldoet het model goed.
we hebben dan een temperatuurverschil tussen de tropen en subtropen dat onder invloed van de draaiing van de aarde aanleiding geeft tot een noordoostelijke luchtbeweging: de noordoostpassaat.
De circulatiecel tussen subtropen en evenaar, waarvan de passaatwinden deel uitmaken, wordt nog steeds aangeduid als hadleycel.
Ook in de buurt van de pool gaat het model op, zodat er twee cellen zijn die vanuit de voorgaande theorie begrepen kunnen worden. De circulatiecel tussen subtropen en evenaar, waarvan de
passaatwinden deel uitmaken, wordt nog steeds aangeduid als hadleycel. Ook in de buurt van de pool gaat het model op, zodat er twee cellen zijn die vanuit de voorgaande theorie begrepen
kunnen worden. De tussenliggende, in de waarnemingen minder duidelijk terug te vinden, cel met overheersend westenwinden gedraagt zich echter anders; hij wordt ferrelcel genoemd.
William Ferrel beschreef in 1856 als eerste een circulatiemodel voor een draaiende aarde met aan weerszijden van de evenaar drie afzonderlijke cellen, zoals afgebeld in bijgaande figuren.
In de figuren is ook te zien dat aan de evenaar de noordoostpassaat van het noordelijk halfrond en de zuidoostpassaat van het zuidelijk halfrond samenkomen; men spreekt van de intertopische
convergentiezone (ITCZ). de samenstromende lucht wordt gedwongen op te stijgen, wat gewoonlijk aanleiding geeft tot talrijke onweersbuien.

Op de gematigde breedten bevindt zich een zone met westenwinden. Bij de evenaar vind je de noordoostpassaat (noordelijk halfrond) en de zuidoostpassaat. Aan de poolzijde van de gordels
met westenwinden is de wind eveneens oostelijk
Beperkingen van het model
Er zijn verscheidene oorzaken te bedenken waarom de werkelijkheid toch ingewikkelder is dan het model uit de voorgaande paragrafen suggereert.
1. De aarde heeft geen homogeen oppervlak, maar kent landoppervlakken en wateropppevlakken, die zich heel anders gedragen. Landoppervlakken kunnen bijvoorbeeld bestaan uit bij zonnig weer
snel in temperatuur veranderende zand en rotsbodems of worden gekenmerkt doorluchtstromingen afremmende bossen en gebergten. Wateroppervlakken warmen slechts langzaam op en koelen traag
af; ze veroorzaken minder wrijving dan het land.
2. De aardas staat scheef, het equatorvlak van de aarde maakt een hoek van 23,5 graad met het vlak van draaiing rond de zon, het eclipticavlak. Hierdoor ontstaan de seizoenen, waarbij
beurtelings het noordelijk en zuidelijk halfrond meer wordt verwarmd, hetgeen van zeer grote invloed is op de algemene circulatie.
3. De verticale afmetingen van het gedeelte van de atmosfeer waarin de circulatie plaatsvindt (zeg ongeveer 12 km vanaf het aardoppervlak) zijn te klein ten opzichte van de horizontale
afmetingen (ongeveer 10 000 km tussen evenaar en pool) om een 'mooie', eencellige circulatie toe te laten.
4. De uniforme oostenwinden zouden de draaiing van de aarde steeds verder afremmen; een effect dat in de praktijk niet wordt waargenomen. We concluderen dat de circulatie, zoals die door
ons gemeten kan worden een driecellige circulatie is en dat een groot aantal factoren een rol blijkt te spelen.
De algemene circulatie
In het voorgaande zagen we dat temperatuurverschillen tussen evenaar en pool de lucht in de dampkring op een zodanige manier in beweging brengen dat de temperatuurtegenstellingen afvlakken.
Dit systeem van luchtstromingen wordt de algemene circulatie genoemd. Ze omvat de grootschalige luchtbewegingen, de passaten, de sterke westelijke winden op enige hoogte op gematigde breedten,
ook wel bekend als straalstroom, depressies die in de straalstromen worden meegevoerd en allerlei andere weersystemen. De motor achter de algemene circulatie is de zon, die de door ongelijke
opwarming van het aardoppervlak alles in gang zet. Zonder algemene circulatie zouden de tegenstellingen tussen polen en evenaar zich verscherpen; het deel van het aardoppervlak dat geschikt
is voor menselijke bewoning zou zonder de algemene circulatie veel kleiner zijn.
De diagrammen waarin de algemene circulatie werd weergeven, zijn uiteraard schematisch. Onderstaande figuren geven maandgemiddelden van de luchtdruk-verdeling en het circulatiepatroon voor
januari en juni. Het beeld is grilliger dan de eerder getoonde schema's, maar toch al weer gelijkmatiger dan op een dagelijkse weerkaart, zoals we later zullen zien. Voor de dagelijkse
weersverwachting werkt men onder andere met een indeling circulatietypen die gebaseerd is op de luchtstroming boven een kleiner gebied, namelijk het Europese vasteland en het aansluitend
gedeelte van de Atlantische Oceaan; deze komt aan bod in hoofdstuk 11.


De algemene circulatie zoals deze in werkelijkheid wordt waargenomen in januari (boven) en juli (onder). Het patroon is grilliger dan in de schema's, maar gelijkmatiger dan in de
dagelijkse weerkaarten.